Home

Prosopografie

Bestanden

Methode

Werkwijze

Over de auteur

Bestellen

Colofon

Methode

De prosopografie is een sociaal-historische methode die inhoudt dat systematisch gegevens over een aantal van tevoren opgestelde eigenschappen van een afgebakende groep per lid van die groep worden verzameld. De daaruit resulterende metabron, in dit geval de database van rederijkers, is de prosopografie of collectieve biografie. Daarna worden de belangrijkste karakteristieken (onderlinge overeenkomsten en verschillen, onderlinge contacten, en dergelijke) van een groep bestudeerd, met als doel om de werking van de groep en zijn verhoudingen met instituties en andere groepen beter te begrijpen. De resultaten van die prosopografische analyses zijn terug te vinden in Lustige geesten. De analyses zijn op twee manieren uitgevoerd: met case-studies van enkele sprekende voorbeelden uit de populatie en eenvoudige kwantitatieve bewerkingen van de hele populatie.

Hoe verder men de maatschappelijke ladder afdaalt, hoe minder sporen mensen nalieten in de archieven. Hoewel dat gegeven op zich een eerste criterium voor het bepalen van de maatschappelijke positie van leden van een groep oplevert vormt het natuurlijk tegelijk een belangrijk obstakel voor goede analyses van lagere sociale groepen, zowel voor de allerarmsten als de middengroepen. Dat geldt ook voor de leden van rederijkerskamers, om wie het in deze prosopografie gaat. Over een groot aantal rederijkers in deze prosopografie is niets teruggevonden dan het feit van hun lidmaatschap.

Deze prosopografie wijkt om nog een reden af van het ideaal: er is namelijk voor geen enkele rederijkerskamer een volledige ledenlijst overgeleverd, en dat terwijl die ledenlijsten de absolute basis zouden moeten vormen voor een systematisch onderzoek dat betrouwbare gegevens oplevert. Deze prosopografie is echter gebaseerd op de onvolledige ledenbestanden van De Wijngaertrancken, De Pellicaen en De Witte Angieren van Haarlem (1502-1650), Het Bloemken Jesse van Middelburg (1495-1680) en De Corenbloem van Den Haag (1494). De ledenbestanden van de vier Hollandse kamers zijn gereconstrueerd op basis van de ledenlijsten en andere vermeldingen van leden uit het Retoricaal Memoriaal van Van Boheemen en Van der Heijden. Die van Middelburg is samengesteld uit een groot aantal bronnen, waaronder een wedstrijdbundel in manuscript.

Deze prosopografie heeft een voorlopig karakter, alleen al omdat de prosopografie van Haarlem, Den Haag en Middelburg door meer bronnenonderzoek nog verder uitgebreid kan worden. Maar bovendien is dit een eerste stap op weg naar een database met alle bekende leden van rederijkerskamers in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden, op basis waarvan verder prosopografisch onderzoek gedaan kan worden.

Literatuur

H. de Ridder-Symoens, 'Prosopographical research in the Low Countries concerning the Middle Ages and the Sixteenth Century, Medieval Prosopography, 14 (1993) 2, 27-120.

De Ridder-Symoens, 'Prosopografie en middeleeuwse geschiedenis: een onmogelijke mogelijkheid?', Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, 45 (1991), 95-117.

L. Stone, 'Prosopography', in: F. Gilbert en S.R. Graubard, Historical Studies Today. New York 1972, 107-140.

D.J. Roorda, 'Prosopografie, een onmogelijke mogelijkheid?', in: idem, Rond prins en patriciaat: verspreide opstellen. Weesp 1984, 42-52.

K.S.B. Keats-Rohan, (red.), Prosopography, approaches and applications. A Handbook. Oxford 2007.