Home

Prosopografie

Bestanden

Methode

Werkwijze

Over de auteur

Bestellen

Colofon

Werkwijze

Na een reconstructie en analyse van de ledenbestanden van de kamers van Haarlem, Middelburg en Den Haag is nagegaan wat de familie-achtergrond van leden was, waar ze vandaan kwamen, wat hun opleiding en hun beroep was, welke maatschappelijke ambten en functies ze vervulden, van welke organisaties ze lid waren en hoe actief ze daarin waren, wie hun vrienden en bekenden waren, wat hun religieuze en politieke gezindheid was en welke intellectuele en culturele activiteiten ze verrichten. Er is vervolgens gekeken naar het moment waarop ze tot een kamer toetraden, welke leeftijd ze toen hadden, hoelang ze lid bleven, hoe actief ze waren en wat ze deden na hun eventuele uittrede uit de kamer.

Identificatieproblemen

Een centraal probleem in prosopografisch onderzoek is de identificatie van personen. Het probleem stelt zich direct bij de (gereconstrueerde) ledenlijsten van rederijkerskamers (zie daarvoor Bronnen). Die bevatten per jaar geordende gegevens, voor verschillende jaren achtereen, vaak met hiaten. Om moeten uit die reeksen per jaar geordende gegevens de overeenkomende namen worden samengebracht en met een individuele persoon worden geïdentificeerd. Die persoon moet vervolgens geïdentificeerd moeten worden in andere bronnen. Een eerste probleem bij de identificatie zijn spellingvarianten van voornamen, patroniemen en achternamen en het wisselend gebruik van voornaam en patroniem, voornaam patroniem en achternaam of beroepsaanduiding, of alleen voornaam en achternaam (enz.). In de Haarlemse ledenlijsten bleek bijvoorbeeld een Jan van Berkel ook voor te komen als Jan van Brakel, een Borrit Pietersz Doorn als Borryt Dooren, een Claes Ariaensz Groen als Claes Arendsz, Claes Adriaensz Groen, Claes Arendse Evengroen en Nicolaes Eevegroen.

Een tweede probleem is dat niet altijd valt te bepalen of een beroepsaanduiding misschien een achter- of toenaam of een erfelijke familienaam is. Een beroepsaanduiding is niet als achternaam te beschouwen, tenzij uit verdere identificatie van een persoon anders blijkt. Niet minder ingewikkeld is dat familienamen niet versteend waren en evenmin in rechte mannelijk lijn werden overgedragen. Leden van een verwantschapsgroep konden ook gemakkelijk een nieuwe achter- of toenaam voeren. De zestiende-eeuwse stamvader van de Haarlemse patriciërsfamilie Van Adrichem voerde de geslachtsnaam van zijn echtgenote, zijn kleinzoons voegden daaraan de geslachtsnaam van hun moeder toe en noemden zich Van Adrichem van Dorp. Eén van zijn kleinzoons noemde zich naar zijn buitenplaats ook wel Van Groeneven, Groen of Groenevelt. Sommige van diens nakomelingen noemden zich Van Adrichem van Dorp, anderen noemden zich Groeneven en mogelijk noemden anderen zich Groen en Evengroen. Zulke wisselingen van achternaam kwamen in meer families voor.

Identificatieprocedures

De identificatie begon met het identificeren van individuele personen uit de naamreeksen van de gereconstrueerde ledenlijst van een kamer. Wanneer op zo’n lijst een combinatie van voornaam en achternaam in jaar x identiek was met een combinatie van voornaam en achternaam uit jaar y werden beide combinaties geďdentificeerd als persoon X, tenzij het interval tussen jaar x en jaar y meer dan enkele jaren betrof. In dat laatste geval kon soms toch worden besloten dat er sprake was van één persoon, als externe gegevens daar sterke aanwijzingen voor bevatten. Die procedure werd ook gevolgd bij de ideale combinatiereeks van voornaam, patroniem en achternaam en bij de combinatie van voornaam en patroniem: wanneer de combinatie Jan Jansz tien jaar onafgebroken voorkwam werd aangenomen dat het om een en dezelfde persoon ging. Bij een onderbreking van een jaar en meer werd besloten een weliswaar identieke combinatie vanaf de onderbreking als een nieuwe persoon te identificeren. Wanneer vijf jaar lang een combinatie van voornaam en patroniem voorkwam en dezelfde combinatie kwam daarna voor met achternaam werd alleen aangenomen dat hier sprake was van één persoon als de combinatie van voornaam en patroniem zeldzaam was, zoals in het geval van Govert Hendriksz van der Eembd. Dat werd eveneens gedaan wanneer een combinatie van voornaam en patroniem werd afgewisseld met een combinatie van voornaam, patroniem en achternaam. De definitieve identificatie van rederijkers en andere Haarlemmers werd uitgevoerd met behulp van een computerprogramma dat door Erik Akkerman aan de Vrije Universiteit werd geschreven voor bewerkingen in Access. De opzet van het onderzoek, de identificatieprocedure en eerdere proefprogramma’s waren samen met Cees Mandemakers ontwikkeld.

Het bronnenonderzoek

Een naamscombinatie werd zeldzaam geacht wanneer ze weinig voorkwam binnen de lijst met rederijkers en op lijsten van leden van de schutterijen en een aantal Haarlems gilden en broederschappen. Bij ontstentenis van goede belastingbronnen – voor Haarlem noch voor Middelburg beschikken we voor onze periode over belastingkohieren op huurwaarde – was het niet mogelijk een rangorde van rederijkers te maken naar bezit of inkomen en bovendien rekening te houden met hun levensloop. Voor Haarlem zouden de gegevens uit deze kohieren gecombineerd kunnen worden met informatie uit de notariële archieven en de transportregisters en met de kosten voor het luiden van de klokken bij overlijden (die bronnen zijn voor dit onderzoek nog niet geraadpleegd).

Bij het maken van een zinvolle financieel-economische stratificatie moet rekening houden worden met het bezit en inkomen van familieleden en moeten de gegevens over rederijkers niet alleen onderling vergeleken worden, maar ook met de stedelijke gemeenschap als geheel. Zo’n aanpak bleek te tijdrovend in combinatie met een diachrone benadering. Er is daarom gekozen voor een andere strategie om de rederijkers te plaatsen binnen de maatschappij: door het onderzoek te concentreren op hun sociale en politieke vermogen. Een van de manieren om dat te reconstrueren is door gebruik te maken van de ledenbestanden van de schutterijen. Die verenigden immers leden uit de middenklassen, de gegoede burgerij en het patriciaat. In Haarlem was een minimum-vermogen voorwaarde voor schutterschap. Voor de analyse is een extra databank gemaakt met de gegevens van de schutters die tussen 1583 en 1653 in de driejaarlijkse rollen van de twee Haarlemse schutterijen voorkomen. Bij ongeveer de helft van de schutters die alleen een combinatie van voornaam en patroniem hadden werd door de officieren het beroep aangetekend. Volgens de eerder beschreven procedure zijn de jaarlijkse schuttersnamen geďntificeerd tot individuele personen, waarna is nagegaan of zich onder hen rederijkers of vermoedelijke verwanten van rederijkers bevonden. De 13.601 schuttersnamen werden op basis van tevoren ingevoerde spellingvarianten met behulp van een computerprogramma in Access geďdentificeerd en tot 5.214 personen teruggebracht.

Van 22 Haarlemse gilden zijn 6.151 gildenbroeders gevonden en geďdentificeerd en van 2 broederschappen zijn tenslotte 172 broeders gevonden en geďdentificeerd, van de ouderlingen 578 (tussen 1579 en 1650) en diakenen 749 (tussen 1579 en 1650). Tenslotte zijn gegevens verzameld over de Haarlemse schoolmeesters en is in het bestand met Haarlemse stadsbestuurders van Nick Ursem te Alphen a/d Rijn gezocht naar rederijkers of hun verwanten. Deze gegevens leveren een behoorlijk inzicht op in de positie van Haarlemse rederijkers binnen de stedelijke instituties en in hun beroepen. Daarnaast is zoveel mogelijk literatuur doorgenomen voor gegevens over Haarlemse rederijkers en hun verwanten. Voor gegevens over hun familie-achtergronden is voor zoveel mogelijk families gezocht in gepubliceerde genealogieën en in genealogische aantekeningen bij het Centraal Bureau voor de Genealogie (CBG) en in de collectie M. Thierry de Bye Dólleman bij antiquariaat Van der Steur in Haarlem. Voor Middelburgse families is gebruik gemaakt van dossiers bij het CBG en van gepubliceerde genealogieën, en verder van genealogische fragmenten gepubliceerd in Meertens, Letterkundig leven van Zeeland en Van der Bijl, Idee en interest.

Daarnaast is gebruik gemaakt van enkele Middelburgse belastingkohieren voor het haardstedegeld, van een lijst met Middelburgse schoolmeesters en gepubliceerde lijsten van Middelburgse stadsbestuurders, ouderlingen en diakenen, leden van enkele gilden en leerlingen van de Latijnse school en van de vele gepubliceerde bronnen over de Middelburgse geschiedenis. Aangezien het Middelburgse stadsarchief grotendeels verbrand is, konden geen systematische bestanden worden opgezet met gildenbroeders en schutters. Voor de Haagse rederijkers uit 1494 is gebruik gemaakt van de vele gegevens die zijn verzameld door Herman Brinkman, van onderzoeksgegevens van een groep studenten aan de Vrije Universiteit op basis van zijn materiaal en van genealogische gegevens over enkele belangrijke Hollandse en Zeeuwse families. Dit onderzoek is met Serge ter Braake verder uitgewerkt voor een artikel in het Jaarboek Middeleeuwse Geschiedenis (2003), de resultaten worden in de database verwerkt. Voor de intellectuele netwerken en productie tenslotte is gebruik gemaakt van het Retoricaal Memoriaal ; Meertens, Letterkundig leven in Zeeland; bibliografieën voor Haarlem en Middelburg; de Nederlandse Centrale Catalogus; biografische woordenboeken en de uitgegeven matrikels van Leiden, Utrecht, Franeker, Harderwijk, Leuven en Keulen.

Literatuur

Voor identificatieproblemen:

P.C.M. Hoppenbrouwers, Een Middeleeuwse samenleving. Het land van Heusden (ca.1360-ca.1515). A.A.G. Bijdragen 32. Wageningen 1992, 139-145.

Voor de problematiek van de naamgeving:

A.M. van der Woude, ‘Het gebruik van de familienaam in Holland in de 17e eeuw’, Holland 5 (1973), 113-119.

Voor de families Van Adrichem:

M. Thierry de Bye Dolleman, ‘Aelbrecht Adriaenszoon, de stamvader van het geslacht Van Adrichem van Dorp, en zijn naaste familieleden’, Jaarboek CBG, 16 (1962), 147-168.